31 gerelateerde items gevonden in de collecties van Erfgoed Delft e.o
» Toon alle gerelateerde items uit de collecties van Erfgoed Delft

 
N.V. Lijm- en Gelatinefabriek 'Delft'
: R21129
N.V. Lijm- en Gelatinefabriek 'Delft'. 1885 - 29 september - 1955
: R26228
: C13604
Merkwaardig jaar - 1885 - bracht Delft nieuwe station, dat nog steeds bestaat - Lijm- en gelatinefabriek werd opgericht
: R65804
: S3184
: S4018
De Fabrieksbode
: R55165
Jaargang De Fabrieksbode 1931
: R55169
Jaargang De Fabrieksbode 1930
: R55170
Jaargang De Fabrieksbode 1929
: R55171

Lijm- en Gelatinefabriek

Uit WikiDelft

Ga naar: navigatie, zoeken
De fabriek

Op 29 september 1885 tekende de bekende Delftse ondernemer J.C. van Marken (1845-1906) de oprichtingsakte van een tussen de Rotterdamseweg en de Schie te vestigen lijmfabriek.

Protest

Dit was grondgebied van de gemeente Vrijenban, zodat aldaar de hinderwetvergunning werd aangevraagd. Om lijm te produceren was een grondstof nodig die slechts uit dierlijke beenderen geworven kon worden. Het was dus noodzakelijk om kadavers naar de fabriek te transporteren. Dat was precies de reden waarom diverse omwonenden protest aantekenden tegen de plannen. Het waren met name de boeren uit de directe omgeving die bezwaar maakten. Zij vreesden milieuoverlast van de fabriek. Leendert de Boo liet weten dat de fabriek zou stinken en dat deze "vuil op het water zou lozen zodat zijn paard het water niet meer kan drinken". De naburige boeren Van der Drift en Zuijdgeest maakten soortgelijke bezwaren. Branderij De Nijverheid was evenmin gelukkig met de komst van de fabriek; het water uit de Schie werd immers ook voor de drankproductie gebruikt. Ondanks alle bezwaren kreeg de onderneming een jaar later toch ruim baan en kon in 1887 het eerste gebouw aanbesteed worden: de Lijmfabriek was een feit. Vanaf 1911 produceerde de fabriek ook gelatine, zodat het geheel voortaan bekend stond als de Lijm- en Gelatinefabriek.
J.C. van Marken was geen onbekende in Delft. Hij was tevens oprichter van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek en de Nederlandsche Oliefabriek, later beter bekend als Calvé. Tezamen vormden zijn drie grote bedrijven de 'Delftsche Nijverheid'. Van Marken bracht ze tot grote bloei. Hij stond bekend als een van de eerste sociale ondernemers die zeer begaan was met zijn medewerkers. Van Marken voorzag zijn bedrijven van diverse sociale voorzieningen als een ziekenfonds, een bibliotheek en een levensverzekering. Samen met andere nieuwkomers als Joost Thooft van De Porceleyne Fles en F.W. Braat van de gelijknamige machinefabriek drukte Van Marken een grote stempel op de industriële ontwikkeling van de stad. Deze nam een hoge vlucht aan het eind van de negentiende eeuw, wat overigens ook leidde tot grote speculatiepraktijken. Rond de eeuwwisseling ontstond hierdoor grote financiële onrust, iets waar directeur R.W. van Stolk later met afgrijzen aan terugdacht: "Delft heeft nog nooit zulk een vreselijke tijd doorgemaakt. Het is eene groote tragedie."

Financiële problemen

De moeilijkste tijden moesten toen voor de Lijm- en Gelatinefabriek nog komen. In de jaren twintig kampte de fabriek met grote financiële en - daardoor - personele problemen. De economische narigheid verdween pas weer rond 1937, waarna het meestal bergopwaarts ging. Een grote stap voorwaarts werd in 1953 genomen, toen een Amerikaanse vestiging van de Delft Gelatin Corporation in New York geopend werd. Het 70-jarig bestaan van de fabriek werd in 1955 dan ook groots gevierd; de toekomst zag er rooskleurig uit. De Delftsche Courant blikte vanwege de festiviteiten terug op de groei van het bedrijf: Men rekende op een verwerking van 6 à 7 ton beenderen per week, een hoeveelheid die op dit ogenblik in een uur wordt verwerkt. Tegenwoordig verwerkt men ruim 300 ton per week. Vanaf 1968 legde het bedrijf zich volledig toe op de productie van gelatine en werd de lijmproductie gestaakt. De gouden tijden voor de fabriek waren wel voorbij. In 2002 moest toenmalig directeur Thomas Versterre toegeven dat er sprake was van een noodsituatie bij het - inmiddels omgedoopte - Delft Gelatin BV. Er restte geen andere oplossing dan het opheffen van het bedrijf, wat tot ontslag van de ongeveer tachtig werknemers leidde.

Ellende

De Lijm- en Gelatinefabriek maakte in de jaren twintig moeilijke tijden door. In 1924 bleek het niet mogelijk om geld in de pensioenfondsen te stoppen, van oudsher juist één van de sterkere troeven van de Delftse fabrieken. De verenigingen die gerelateerd waren aan de fabriek konden korte tijd nadien ook niet meer op steun rekenen; de slechte resultaten noopten de leiding tot dergelijke beslissingen. Om het tij te keren besloot de directie in juni 1926 om veertig werknemers te ontslaan, zowel mannen als jongens. De werknemers die mochten blijven, moesten een deel van hun loon inleveren: mannen 10% en jongens 15%. Nieuw aangenomen jongens moesten het zelfs met 20% minder loon zien te stellen. De vakorganisaties gingen hier niet mee akkoord en startten onderhandelingsrondes met de directie. Alhoewel er in eerste instantie sprake was van een grote stakingsbereidheid, kon een massale staking voorkomen worden. De volwassen personeelsleden waren met de directie een aantal wijzigingen overeengekomen, maar dit vonden de jonge werknemers onvoldoende.

Staking

Op maandagochtend 5 juli 1926 brak daarom een wilde staking uit onder deze jongens. Zij eisten eenzelfde (kleine) loonsverlaging als de oudere werknemers, maar werden niet gehoord. De directie beschouwde de tachtig stakende jongens tussen de 18 en 21 jaar als ontslagen. Wanneer zij op de oude voorwaarden terug wilden komen, waren zij pas weer welkom in de fabriek.
Niet alleen de directie, maar ook de stakende jongens zetten echter hun hakken in het zand. In de loop der dagen kwamen er diverse klachten bij de Delftse politie binnen van stakers die werkwilligen lastig vielen: 'Een der schriftelijke verzoeken spreekt van "ergerlijke methoden van lastig vallen en de laagste beleedigingen'. Een der mondelinge klagers 'zeide dat hem gedreigd was den boel thuis te zullen stuk slaan.' Een aantal dagen later was het wederom mis. Werknemer werden met auto's vanuit de fabriek naar huis gebracht, toen 'enkele personen, die zich op den Rotterdamscheweg achter de boomen verscholen hadden' met stenen naar de auto's begonnen te gooien. Er was enige schade, maar niemand raakte gewond. Begin augustus waren de gemoederen nog steeds oververhit, getuige een verslag in de Delftsche Courant:
Woensdag, in het ochtenduur hebben negen Delftsche jongens, die betrokken zijn geweest bij de staking aan de Lijm- en Gelatinefabriek, enkele aan die fabriek, tijdens de staking te werk gestelde Rotterdammers en Schiedameers op den Rotterdamschen weg opgewacht en hen met stukken ijzer, hout en gummislangen een pak slaag toegediend. De "veldslag" was zoo fanatiek dat verschillende der mishandelden naar huis moesten terugkeeren. [..] Tijdens het gevecht zijn twee rijwielbelastingmerken van de rijwielen der Schiedammers ontvreemd.
Nadien werd het wat rustiger aan de Rotterdamseweg en ging iedereen weer aan het werk, maar het duurde nog enige tijd voordat de Lijm- en Gelatinefabriek uit de rode cijfers was. In 1931 moest de directie wederom een loonverlaging aankondigen, evenals de gedeeltelijke sluiting van het bedrijf.

Oorlog

Uit de krant "mededelingen" van 27 februauri 1945 wordt er melding van gemaakt dat de Duitse bezetter muren rondom het complex van de lijm en gelatine fabriek aan het optrekken is. Dit om het complex voor nieuwsgierige ogen te vrijwaren. Door Nederlandse arbeiders werd aan de westzijde een prikkeldraad versperring aangelegd. Op het terrein was een lanceerinrichting voor de V1 rakketten aangelegd. De activiteiten rondom de lanceerinrichting werden hiermee aan het oog ontrokken.

Milieuoverlast

Vervuiling van het water

Reeds bij de oprichting van de Lijm- en Gelatinefabriek klonken er klachten over de - vermoedelijke - vervuiling van het afvalwater én van de omgeving. Deze bezwaren bleven bestaan en zwollen aan naarmate er meer aandacht kwam voor milieuproblematiek aan het begin van de twintigste eeuw. De Lijm- en Gelatinefabriek was immers niet de enige industrie die onbekommerd afvalwater in de grachten en rivieren loosde. De Delftse industrie bloeide volop, maar stond nou niet direct bekend om de schone industrie. Zelfs als de Delftenaren dit voor lief wilden nemen, hadden zij nog te maken met de Haagse buren. Afvalwater van de Delftse huishoudens, alsmede de faecaliën én de industriële vervuiling stroomden via de noordwaarts stromende Schie naar de Haagse grachten.
In Den Haag verbeterde de waterkwaliteit sterk toen er een rioolstelsel aangelegd was. De vervuiling van het oppervlaktewater bleef alleen een terugkerend probleem. De Haagse gemeenteraad klaagde in 1921 over 'de booze geuren' die de grachten verspreidden. Zolang er nog geen zuiveringsinstallaties waren bij de (Delftse) fabrieken, kon dit probleem onvoldoende opgelost worden. Vanaf juni 1922 zuiverde de Lijm- en Gelatinefabriek als één van de eerste grote Delftse fabrieken haar afvalwater alvorens het in de Schie te lozen. Het duurde overigens nog tot 1953 voordat geheel Delft aangesloten was op een goed functionerend rioleringsstelsel. Toch was het in 1960 nog steeds niet in orde met de lozingen. Een deel van het afvalwater verdween in het riool, maar het overige kwam nog in de Schie terecht. Samen met de Gist- en Spiritusfabriek en Calvé Delft betaalde de Lijm- en Gelatinefabriek voortaan jaarlijks fl. 175.000,- aan het Delflandse Hoogheemraadschap. Vijf jaar later stapte het bedrijf over op koelinstallaties, zodat er minder grondwater nodig was én er beduidend minder geloosd hoefde te worden.
De sterke geur die rond de fabriek hing, was niet iedereen even lief. Toen een aantal Dordtenaren zich in 1928 echter beklaagde over de stank, vond de verslaggever van de Delftsche Courant dit overdreven:
Een wagon met beenderen, bestemd voor de lijmfabrieken in Delft, had geruimen tijd moeten wachten, voordat het verdere vervoer naar de plaats van bestemming kon plaats hebben. Door de warmte en de windstilte verspreidde zich de vreeselijke lucht van half vergane vleeschresten en beenderen over dit stadsgedeelte. Kom, kom Dordrechtenaren, vanwaar toch zooveel klachten? Bedenk dat bij u op het station slechts één enkele wagen met beenderen stond, en dat wij Delvenaren er minstens twintig in de buurt hebben met nog een groote fabriek er bij, die beenderen verwerkt. Hebt gij niet wat te vlug geklaagd?

Ontploffing

Ontploffing.jpg

De Rotterdamseweg en wijde omgeving werden op 19 augustus 1971 opgeschrikt door een grote explosie. De knal was afkomstig van de ontvettingsafdeling van de Lijm- en Gelatinefabriek. In de fabriek zelf vielen drie doden en vijf zwaargewonden, en de ravage was enorm. In de wijde omtrek sneuvelden ruiten door de klap. De explosie zorgde voor een honderden meters hoge steekvlam en voor een dagenlang smeulende puinhoop. Ondanks de grote verliezen, waren zowel directie als politie het er na afloop over eens dat er wonderbaarlijk weinig slachtoffers waren gevallen. De brand was van zodanig grote omvang en hoge intensiteit, dat de gevolgen veel rampzaliger hadden kunnen zijn. De ontvettingsfabriek was sinds 1957 in gebruik en had nooit eerder met brand te kampen gehad. Waarschijnlijk was een personele fout de oorzaak van de explosie. Een kleine week na de ontploffing ging men in het resterende deel van de fabriek weer aan het werk.

Persoonlijke instellingen
Home In het nieuws Over WikiDelft Thema's Hulp
Recherche avancée   
Critère 1      --
                        et   ou   sauf
Critère 2      --
                        et   ou   sauf
Critère 3      --
                        et   ou   sauf
Critère 4      --
                        et   ou   sauf
> Classer les r�sultats par  
lancer
Deze website maakt gebruik van cookies. Informatie over cookies